Doorgedraaid met Dan Barber

Deze week was geen beste week.

Het begon allemaal mooi, op maandag toen mijn eerste stagedag bij biologisch dynamisch tuinbouwbedrijf De Eemstuin in Uithuizermeeden aanbrak. Met veel genoegen werkte ik met de tuinder, Isabel, in de kas. Ik kreeg veel te horen en we maakten een ‘half vak’ klaar voor de teelt van broccoli en (Spaanse!) raapstelen. Kweekgras weghalen met de greep, onkruid wegschoffelen en -harken, compost opbrengen en verspreiden. Isabel werkte dat met trekker en ‘cultivator’ de grond in, waarna we beiden een loeizwaare spijker-eg over het oppervlak trokken om dat mooi vlak te krijgen. ’s Middags gingen we de plantjes poten, in best mooie rijen. Toen diende het zich onomstotelijk aan: griep! Ik bleef desondanks tot het einde van de werkdag, maar eenmaal thuis rolde ik direct mijn bed in.

De afgelopen dagen kon ik niet op zijn. Om de zeurende spierpijnen te vergeten, ben ik het boek van Dan Barber, The Third Plate gaan uitlezen. Ik was er tijden terug in begonnen, maar had de rust niet de pil uit te lezen. En of het nu door de koorts kwam: ik raakte er totaal van in de ban. Barber is een ‘chef’ uit New York, met een boerderij. Hij zoekt de oorsprong van goed en gezond voedsel en hoe hij het gebruik daarvan wezenlijk kan bevorderen of: hoe chefs mede schuldig zijn aan een eetcultuur die ongezond is voor mens en natuur. In zijn zoektocht ontmoet hij pioniers die het totaal anders doen: vissers, varkensboeren, graantelers en zaadveredelaars.

Een van hen, zuiderling, is heel zijn leven op zoek geweest naar de smaak van rijst die zijn oude, en inmiddels overleden moeder sinds de jaren vijftig nooit meer had geproefd. Dan ontdekt hij dat dit gemis is terug te voeren op een verziekt productiesysteem. Monoculturen en focus op alleen hoge opbrengsten hebben smaakvolle rijstsoorten van weleer verdreven. Hij focust zich op oude landrassen en zet ruime vruchtwisseling en combinatieteelt in. Een ander, graanboer Klaas Martens uit Penn Yan (Yates County, New York) gooide in de jaren tachtig het roer om, zegde de maatschap met zijn twee broers op en houdt zich sindsdien bezig met zijn bodem, de teelt van robuuste graangewassen die diep wortelen en die hij goed afwisselt met andere gewassen.

De rijstman zweepte me enorm op. Ik zag de beelden al voor me: oude erwtenrassen, gezaaid met daartussen suikermaïs. Strookjes met oude rassen graan om te vermeerderen, in de hoop dat Piet die verder uitzaait. Vanochtend om half vijf knipte ik ongedurig het licht aan. Ik kon het niet langer voor me houden: we hebben een klein dorsmachientje nodig voor mijn proef- en vermeerderingsveldjes. Misschien wel een oude hekeldorsmachine. En handmolenstenen, waarmee in 8 minuten een kilo granen te malen zijn. Dát wil ik in de toekomst aanbieden: supersmaakvol en voedzaam meel, op molenstenen gemalen, met tarwekiem en alles er nog in. Dat kun je alleen supervers verkopen, want de smaak gaat snel achteruit. Onze klanten mogen zelf aan de molen slingeren. Wat een ervaring zal dat zijn!

Piet zuchtte heel diep en draaide zich om. Hij kon er niet in meegaan. Was het echt de koorts? De griep is nog niet voorbij.

Snoepen in de praktijk

Als bioboerin in oriëntatiefase ben je een kleuter in een snoepwinkel. Overal kleurtjes, lekkers en totaal geen overzicht meer. Inmiddels heb ik mijn laatste stagedag bij VOF In de Wind beëindigd. De akkerbouw leek me nooit iets voor mij, maar grootschalige groenteteelt is het zeker niet. Te weinig variatie, te weinig leuk pielen. Er valt nu één snoepje af.

Woensdagmiddag ben ik naar Roel gegaan, die hier in de buurt een mooie boomgaard heeft waar hij oude rassen verbouwt. Ik had gevraagd of ik mocht helpen met fruitbomen snoeien. Het woei nogal en Roel bekende dat hij liever naar buiten ging op een vriendelijker dag. Na ruime tijd koffie drinken gingen we de boomgaard in. Prachtig om te zien. Ik zag onze eigen kippen ook al in zo’n paradijs ronddansen.

Toen ik met mijn ladder tegen de appelboom stond, verging het me andersom. Ik heb hoogtevrees en hoewel Roel zei dat het een lage boom was, stond ik zwiepend in de wind als een schipper op een gammel bootje. Met één hand tak vasthouden, met de ander knippen of zagen. Als een tak dikker was dan een centimeter kreeg ik de snoeischaar er al niet meer door. Ik was blij toen Roel na een klein uurtje of zo zei: ‘Zullen we er maar eens mee ophouden? Ik ga eten koken.’

Donderdag was ik alleen op onze eigen boerderij. Piet vertrok al om kwart over zes naar een biologische fruitcursus in De Betuwe. Ik stond ook al vroeg in de ochtendkou in onze ‘boomgaard’, waar nog maar twee van de vier fruitboompjes die we in 2014 hadden geplant, over zijn gebleven. Een goudreinette en een conferencepeertje. Die heb ik gesnoeid en de takken van het peertje heb ik ‘uitgebogen’. Vervolgens naar de kleine kweepeer in de tuin, een meidoorn, een hulstboom. Daarna naar de appelboom in de tuin (die ik al eens verpest heb toen ik nog niets van snoeien wist) en naar de grote kweepeer die stikt in de schurft. Dat was een project van bijna een uur, met veel ladderwerk, want het ding was nogal uit zijn voegen geraakt met heel veel verticale takken. De vlierboompjes in de moestuin heb ik mooi gesnoeid. De takken heb ik in de grond gestoken om nieuw pootgoed te kweken, voor onze biologische houtwallen, in de toekomst. En dan uiteindelijk de bramen.

Goudreinette vóór het snoeien

Goudreinette vóór het snoeien

Goudreinette ná het snoeien

Goudreinette ná het snoeien

Conference-peer na het snoeien en uitbuigen. De takken moeten in een hoe van 45 graden staan t.o.v. de stam.

Conference-peer na het snoeien en uitbuigen. De takken moeten in een hoek van 45 graden staan t.o.v. de stam.

Ik werkte in een slakkentempo. Steeds opnieuw de boompjes bekijkend: wat moet er af, hoe ziet het er uit? Het fruitsnoepje smaakte wel lekker, moet ik zeggen. Ik was enorm voldaan na die dag van lekker werken in mijn eentje. Alleen mijn rechterhand dacht er zo niet over. ‘Je kunt beter gaan tekstschrijven’, zei Piet toen hij thuis was. ‘Lekker zitten achter je pc.’ Ook die boerentip heb ik ter harte genomen: vandaag was een tekstschrijfdag met een opdracht, die grotendeels al af is. Daaraan herken je toch wel de professional, denk ik dan grinnikend.

Vakantie voorbij

Het was fantastisch, de afgelopen vier weken. Als leerling (‘studente’ klinkt te overdreven) heb ik weer officieel vakantie, en dat is sinds ik in 2002 als ZZP’ende tekstschrijver begon, niet meer zo ongecompliceerd duidelijk geweest. Vier weken niet naar ‘school’ voelt als vakantie, hoe leuk het ook is op Warmonderhof. Nou ja, het is ook wel eens minder. Een akkefietje over lessen techniek en veranderingen in het programma hadden de laatste dag voor onvrede en een nare sfeer gezorgd.

Ik heb nog boerenkool helpen oogsten op de stageboerderij, maar dat was het, er waren andere gegadigden voor het werk. En zo heb ik op onze eigen boerderij geschilderd. Piet  geassisteerd bij het slachten en verkopen van kerstscharrelkippen, en afgelopen week hetzelfde ritueel met biologische kippen. Heel mooi werk, al klinkt dat misschien raar. We slachten ambachtelijk en worden er steeds beter in. Ik heb daarnaast heel veel kranten en een paar boeken gelezen en ben met Piet naar vrienden geweest in het zuiden en westen van het land.

In de bijna negen jaar dat ik op de boerderij woon, voelde het nooit zo ontspannen. Ik snap het ook wel: ik ben, zeker de eerste jaren heel veel bezig geweest om ALLES te doen. Alle verjaardagen van vrienden in Amsterdam als het even kon bijbenen, voor werk veel in de auto, onze grote boerderij stap voor stap opknappen, netjes krijgen, onderhouden en eigenlijk vanaf het begin vrijwilligersbaantjes die soms heel veel tijd vroegen.

Maar nu is het tijd voor focus. En ik ontdek: dat geeft rust, zelfs als je heel actief bent. Werken is leuk, maar met constant schakelen van schrijven naar de deurbel van de boerderij, van Loppersum naar Amsterdam, van grote schilderklussen op de boerderij naar bestuursbaantje – ik was er geloof ik klaar mee.

De vakantie is voorbij en ik voel me uitgerust, ontspannen, zin om te beginnen, om verder te gaan. Zelfs zin om de ‘takkentoets’ te doen over twee weken. Dan moeten we bomen en heesters zien te herkennen aan kale takjes, zonder blad of wat. Het waarom is me niet geheel duidelijk: wie op de boerderij snoeit weet toch wel welke bomen er staan! Maar ik vind het desondanks een interessante bezigheid. En dan gaan we dinsdag eindelijk ook onze resultaten met de bakjes tuinkers (onverschillig versus met aandacht gezaaid) bespreken. Dus daar hoop ik over te berichten. Groet!

Water of wortel?

Mijn stageboer houdt, zoals de lezers misschien nu wel weten, van oneliners. Hij schept er volgens mij enig genoegen in die op zijn stagiaire los te laten. De stagiaire en haar eigen boer schatten inmiddels in dat er een scheurkalender van te maken is. Okke’s scheurkalender – een spreuk voor elke dag.

Spanning opvoeren?

Een van de laatste spreuken die ik hoorde ging ongeveer als volgt. ‘Boer zijn stelt niets voor.’ Okke laat een stilte vallen. Waarschijnlijk om de spanning op te voeren. Dan zegt hij. ‘We zijn alleen maar bezig met het verkopen van water.’ Weer een stilte.

90 procent water

Ik weet soms niet wat ik dan moet zeggen. Moet ik wel wat zeggen, eigenlijk? Water verkopen. Ik snap zijn punt. Een plant zoals hij ze teelt zal wel voor 90 procent uit water bestaan. Net als wij. Maar ja, moet je dan ook maar geen kindertjes meer op de wereld zetten?

Rauw

Een tijdje terug kreeg ik van Okke winterwortelen mee. Ze waren donker-oranje, zaten nog onder de klei, maar geurden dat het een lieve lust was. Thuis maakte ik de wortelen schoon en proefde ze rauw. Overal een super intense wortelsmaak. Dat kom ik niet vaak tegen. Okke mag trots zijn op zijn product.

Knapperig en schoon

Vorige week of daaromtrent kregen we een paar zakken wortels van een andere, ook zeer vrijgevige boer. Schoongewassen, verpakt in plastic zakken, zien er mooi uit. Ik deed hetzelfde: proeven. De wortels knapten in mijn mond. Water en spankracht. Maar vervolgens proefde ik helemaal NIETS!

In de cake ermee

Gisteren heb ik besloten er wortelcake van te maken. Dat ziet er mooi uit en proeft toch naar suiker, kaneel en andere specerijen. Prima cake. Misschien verbouwen boeren wel water. Maar het ene water is veel lekkerder dan het andere! En hopelijk ook gezonder!

 

Boer en handel

Het boerenwerk mag dan wel eens eentonig zijn, tijdens dagenlang pompoenen laden op de wagen krijg je erg veel mee. Zo ging de afgelopen dagen de telefoon van de boerin nogal vaak. Onhandig, want zoals zij dan zegt tegen de beller: “Ik heb mijn beide handen nodig”. Het lopende bandje raast door en met één hand houdt zij het tempo bij onderwijl haar gesprek voerend. De telefoontjes waren vooral van handelaren in groenten. Kennelijk informeerden ze eerst naar de opbrengsten, zo leidde ik af. Nou, wat betreft pompoenen zijn die matig tot slecht. Het weer heeft niet meegezeten en zo waren er nog wat factoren die wat roet in het eten hebben gegooid. Ik vernam ook dat de gesprekken oriënterend zijn: boerin en handelaar wachten wat de markt gaat doen. De pompoenen gaan sowieso eerst in de warme bewaring. Daar rijpen ze nog wat na en tegen december is duidelijker hoe het er in Europa voor staat en wordt het tijd om af te leveren. Dan worden ze keurig schoon gewassen en op een presenteerblaadje gelegd, bij wijze van spreken. De prijs, die ze maximaal krijgen en die ik hier niet zal noemen, verbaast mij als leek. Maar ik hoorde het Krispijn van den Dries, een jonge biodynamische boer in de Noordoostpolder net op een filmpje zeggen: supermarkten proberen die zo laag mogelijk te houden. En dan zitten er nog handelaren tussen. Bij elke stap moet er geld aan de pompoenen verdiend worden.

Mijn boerin werd laaiend toen er een telefoontje kwam dat de geleverde boerenkool 10 procent geel blad zou bevatten. Ik heb zelf geholpen de kisten te vullen en moet haar gelijk geven: ongefundeerd. ‘En zo gaat dat elk jaar met de boerenkool’, verzuchtte ze. ‘Hoe prachtig het gewas ook is in het begin, nooit is het goed. En later, als het aanbod vermindert en de kwaliteit ook, dan horen we nooit iets.’ Het is allemaal een kwestie van vraag en aanbod. Hoe mooi en lekker je pompoenen of boerenkolen zijn, maakt niet uit. Jammer dat het niet te doen is om zelf die 122 kisten te verkopen. Daar zou je een goede boterham aan overhouden. Maar de boer moet door met oogsten en daarna is er allerlei ander werk.

In de bonen

Het is een groeizame zomer geworden, na een haperend en koud begin. En zo gaat het mij ook, op het pad van de biologische landbouw. Twee maanden wandel ik daar rond en ik sta verbaasd over hoe dat voelt. Ik kan en weet nog niet veel, maar ik voel me veel meer verbonden met de landbouw dan ik ooit was. Mijn stagebedrijf VOF In de Wind is daarbij de motor, maar ook mijn lief Piet. De stageboeren hebben heel veel ervaring, doorleefde kennis en dragen die over.

ONKRUIDBEHEERSING. In dat teken stonden deze eerste maanden. En dat hebben zij helemaal in de vingers. Op het biologisch bedrijf dat we thuis hebben, is dat nog heel anders. Dat contrast is uiterst leerzaam: ik zie met eigen ogen hoeveel het uitmaakt of je alles op het juiste moment doet. Herhaaldelijk schoffelen met een machine, er handmatig direct achteraan gaan met voldoende mensen, zodat het onkruid niet te groot wordt en je moet gaan trekken in plaats van hakken.

Piet heeft 1 hectare biologische strogele bonen ingezaaid. Dankzij een tip van stageboer Okke hebben we daar vooraf de zuring uitgehaald. Piet heeft drie tot twee weken geleden tweemaal machinaal geschoffeld. En sindsdien zijn we bijna elke dag ‘in de bonen’. Hoofdzakelijk met zijn tweeën en dat is precies onze makke. HET GAAT VEEL TE LANGZAAM WANT HET ONKRUID ZIE JE GROEIEN! Desondanks zijn we trots: tachtig tot negentig procent is nu schoon. Met uitzondering van één plek waar het stikt van de distels en waar het perzikkruid over de bonen heen groeit.

Okke zocht ons gisteren even op, want hij was even verderop pompoenen aan het schoffelen. Hij is een man van one-liners en dat is lekker duidelijk. Het gewas vond hij er gezond uitzien. Maar het onkruid was ons boven het hoofd gegroeid, vond hij. Dat begint al bij de voorbewerking. Sommige biologische boeren zweren ploegen helemaal af, omdat het de bodem te veel overhoop haalt en vooral bodemdieren zoals wormen verstoort. Maar volgens Okke beheers je onkruid er soms beter mee. ‘Je kunt wel veel wormen hebben’, zei hij gister, ‘maar wat heb je eraan als je geen opbrengst van je land hebt?’ ‘Wormen gaan verkopen’, zei ik, toch wel snedig.

En zo gaat zo’n gesprek: van opbrengst en verdiensten tot arbeid en uren werk, en of dat haalbaar is of niet. Want als biologisch boer wil je toch ook nog wel eens een boek kunnen lezen. ‘Of niet soms?’, aldus Okke.
Als je ziet hoeveel werk die ene hectare boontjes ons heeft gekost, dan moet je vaststellen dat het zo niet kan. Mijn les: er moeten mensen bij en je moet het niet met uurtjes doen, maar gewoon in een of twee dagen erdoorheen. Volgens Okke moeten de bonen bovendien verder uit elkaar gezaaid worden, zodat het oppervlak dat je met schoffelmachine schoonmaakt minstens een derde groter is. Piet had ze juist dichter opeen gezaaid opdat het perceel eerder vol zou groeien. Ik neig nog wat meer naar Okke zijn oordeel. En dan eerder machinaal schoffelen met een bladbeschermer opzij.

Ondertussen vind ik het helemaal niet erg: we leren immers door te ondervinden. Maar die laatste plek met distels en perzikkruid? Die gaat Piet wegmaaien. Dat is vanochtend besloten. Die uren renderen absoluut niet. We zijn in de bonen geweest!

Ik heb een trekker!

Toen ik op de boerderij kwam wonen in 2007 heb ik het heel duidelijk gesteld: ik ga geen trekker rijden. Ik had tenslotte mijn eigen bizz: schrijven. Trekker rijden hield me alleen maar af van de core business. Maar in het nog maar pas ingezette transformatieproces van stadse naar bioboerin verandert mijn blik op de wereld. De laatste weken bemerkte ik al een interesse bij mezelf in trekkertjes. Oude modelletjes, oldtimers, zeg maar. Mooi opgepoetst. Alleen maar interesse hoor.

Het toeval wil dat ik al jaren een bloemenakkertje heb, waar ik handmatig veldboeketten vandaan haal. Dit jaar ligt mijn akker mijlenver achter de boerderij, over een spoorweg, achter een bietenveld. Dit weekend zou ik beginnen met de oogst. Maar ik zag voor het eerst in acht jaar op tegen het ophalen van de bloemen. Piet noemde dat in een gesprek met zijn broer. Die deed vervolgens een zeer genereus aanbod: ik mocht zijn John Deere lenen. Ik was vertederd. Want had ik niet altijd luid en duidelijk geweigerd op de trekker plaats te nemen en mijn neusje daarvoor nuffig in de lucht gestoken?

Gisteren gingen we op pad om de trekker op te halen. En onderweg, bij het pompstation in Schildwolde, zag Piet een oud Fordson-trekkertje op een laadwagen staan. ‘Is dat wat voor jou?’, vroeg hij me. Dankzij mijn opgebloeide interesse voor wat oudere kleine trekkertjes kon ik daar volmondig ‘ja’ op zeggen. Piet belde aan bij het huis. Het trekkertje, een Fordson Dexta, was te koop voor een niet gekke prijs. Ook mijn zwager kon achter de aankoop staan. De accu was leeg, maar met startkabels ging het machientje direct aan de pruttel. Piet tufte er direct mee naar de boerderij, bij wijze van proefrit. In gezwinde vaart, mag ik wel zeggen.

Ik besloot tot de koop over te gaan. Een Facebookberichtje over mijn nieuwe aanwinst bracht buurman Jansen als snel naar ons erf. Ik voelde me echt een beetje trots. En toen we vertelden waar de trekker al die jaren dienst had gedaan zei buurman: ‘Dan heb ik er nog op gereden toen ik 16 was.’ Te mooi om waar te zijn! Hij noemde nog wat weetjes, bijvoorbeeld over waar vroeger de hydrauliek had gezeten. Nu nog een nieuwe accu en ik start met de volgende fase van mijn leertraject: zelfstandig trekker rijden op mijn Fordson Dexta en het onderhoud ervan onder de knie zien te krijgen.