Bloemen gaan niet over rozen

Ik ben gek op bloemen. Draag bloemenjurken, we hebben bloemenbehang, bloemenschilderijen en overal staan boeketjes zodra er buiten maar bloemen groeien. Al jaren hebben we veldboeketten op de boerderij, dus waarom dit niet uitbouwen tot een nieuwe tak als we volgend jaar bioboerderij zijn?

Sterke natuurbloemen

DSC_0011Mijn voornaamste puzzelstuk was hoe te leren het seizoen te verlengen. Want veldbloemen groeien in de zomer. Net als de mooiste bloemen er zijn, is iedereen met vakantie of koopt niemand bloemen omdat het te warm is. Ik heb mijn boeketten eens naar de kiosk van het AMC gebracht. De man was wildenthousiast, de bezoekers ook, maar er werden er slechts drie verkocht. Daarna gaat het natuurlijk in enkele dagen bergafwaarts met zo’n boeket. Nee, ik zou ook mooie, sterke natuurbloemen al in de winter of het vroege voorjaar moeten hebben – takken, heesters, bolgewassen… Natuurlijk bio, want we willen geen gif aan onze handen en het is onze bedoeling de boerderij te laten meeprofiteren van insecten die op de bloemen af komen. Zij helpen de biodiversiteit te vergroten en bijvoorbeeld luizen en andere plaagbeesten lekker weg te ruimen.

Tijdrovend gevecht

DSC_0013Om voorbeelden te zien heb ik de maand juli vijf biobloemenboerderijen of -kwekerijen bezocht in den lande. Erg interessant. Prachtige planten en bloemen gezien. Tunnelkassen, glazen kassen. Kleinschalige teelten bekeken en iets grotere. Meegeholpen met plukken, wieden, snoeien en afleveren. Gezien wat dit toch gigantisch veel werk betekent met zeer beperkte inkomsten. Het is al net als met kleinschalige groenteteelt: zie je producten maar eens voor een faire prijs weg te zetten – het is een altijddurend en tijdrovend gevecht. In België was de bloemenprijs overigens veel beter dan in Nederland, merkte ik. Kennelijk heeft Nederland-Bloemenland zo’n groot aanbod, dat de prijzen laag liggen. Te laag. Ik erger me aan die dumpbossen bloemen bij Albert Heijn: spotgoedkoop, met navenante kwaliteit en een hoop gif er gratis bij.

Simpel beginnen

20160726_131950Maar ik houd van hun geur, hun prachtige kleuren, hun veerkracht, hun variëteit, hun vrolijke verschijning. Ik wíl bloemen telen, op een gezonde en natuurlijke manier. Er een levensvatbare bedrijfstak van maken gaat echter al mijn tijd opslorpen, terwijl we straks intensief met onze kippen in de weer zijn, appelbomen gaan snoeien, onze verkoop moeten regelen, de klaver dorsen en verzorgen, erwtjes vermeerderen en granen moeten schoffelen. Ik heb nog geen bloemenbedrijf gezien waarvan ik denk: dat is het model voor mij. Maar ik hoop dat het komt, dat het groeit, door simpel te beginnen. Deze herfst hoop ik alvast wat vaste planten te poten en volgend voorjaar een plukstrook te zaaien. Het hokje aan de weg is zo gek nog niet, al konden we het dit jaar niet neerzetten omdat we voor het eerst juist minder bloemen hadden gezaaid. Want de boerin was op stage. Bij bloemenbedrijven. En had geen tijd om te gaan wieden, snijden en boeketten maken. Ik mis het enorm, dit jaar.

Omarm het nieuwe avontuur

M’n laatste post was in maart, VIJF MAANDEN geleden! Een stemmetje kraakte meermalen in mijn achterhoofd: ‘Schrijf nou eens over alles wat je meemaakt in de landbouw!’ Maar ik ‘kon het niet wachten’, zoals ze hier zeggen. Te druk om achter de pc te gaan. Stage lopen op de biodynamische tuinderij, waar best veel van me wordt verlangd. Naar school gaan. Thuis veel dingen omhanden. Onze biologische boerderij-in-wording, waar Piet en ik constant mee bezig zijn. Enige mantelzorg en andere dingen die je in een mensenleven doet.

Gewoon doen

Hoe het is? Nou, de laatste maanden heb ik een behoorlijke ontwikkeling doorgemaakt. Waar ik de Warmonderhof nog onderzoekend begon, niet wetende waar ik uit zou komen, voel ik me nu veel meer in mijn rol als boerin groeien – een kwestie van tijd, van blootstelling aan boerenzaken en van gewoonweg doen. Niet denken: ik kan het niet. School en mijn klasgenoten hebben op dit moment een heel belangrijke rol daarin.

Heftruck en trekker

Oefenen met elkaar op de praktijkschool in Dronten

Oefenen met elkaar op de praktijkschool in Dronten

Zo kregen we in Dronten praktijklessen techniek, waarin we in groepjes oefenden met trekkers, ploegen, heftruck rijden en met achteruit rijden. Rustig taakjes doen: pallets op- en af stapelen met de heftruck, langs pionnetjes rijden. Geen handige boeren, maar mensen zoals ik – we moesten het allemaal leren. Iedereen genoot uiteindelijk en die dag gaf mij nét het duwtje in de rug om het thuis ook te proberen. Nu maai ik mijn eigen toekomstige bloemenweide, ingezaaid met luzerne en klaver, met een kleine maaier achter mijn eigen trekker. Ook durfde ik op mijn stagebedrijf te vragen of ik er mocht frezen. Ik heb thuis geëgd en heb de grote Claes-trekker van Scheemda naar Loppersum gereden, in druk verkeer. Ik kan het allemaal nog niet echt, maar durf meer.

Naar de gemeente

Een andere oefening in het boerenbestaan was de presentatie die we hebben gegeven op het gemeentehuis over onze plannen met kippen in de boomgaard. Aanplanten mag kennelijk niet zomaar, er is afstemming nodig met gemeente en provincie en we moesten onze plannen daarom goed naar voren brengen. Gesteund door mijn klasgenoten, die vinden dat ik een goed spreker ben, vroeg ik Piet of ik het mocht doen. Natuurlijk viel hij in en bij, maar opnieuw was ik een drempeltje over. Ik ging in mezelf geloven. En waarom ook niet: we willen iets waarvan we denken dat het goed is.

Niet uit roeping

Met hem wil ik het samen doen!

Met hem wil ik het samen doen!

Ik ben geen boer uit roeping, maar gewoonweg door toeval. In mijn eentje zou ik er nooit aan denken dit vak te kiezen – ik zou het niet kunnen overzien allemaal. Met mijn boerenman wil ik het wel graag samen gaan doen. Beiden willen we een open boerderij, nieuwe dingen proberen, het goede oude behouden, contacten onderhouden en genieten van dat alles, ook al is het hard werken. Ik heb best wat bij te dragen. Het is een avontuur en ik kan na een jaar opleiding nu volmondig zeggen: ik ga het omarmen. Niet meer en niet minder.

Werkpaarden en imago

We wisten al vanaf de aanvang van de Warmonderhof-deeltijdopleiding dat het op het programma stond: een dag paardentractie oefenen. Dat klonk interessant. maar ook enigszins bevreemdend. Want paardentractie betekent niet veel anders dan dat je met een werkpaard je land bewerkt: schoffelen, ploegen, eggen. Ik moet toegeven: in mijn eerste jaren op de boerderij heb ik fantasieën gehad om met een ezel mijn moestuin te bewerken. Omdat ik die droompjes wel eens hardop had uitgesproken, kreeg ik op mijn 50ste verjaardag een ezel cadeau. Een hengst, nou dan weet je het wel. Het dier heb ik na twee maanden naar een zorgboerderij in Drenthe gebracht, waar hij heerlijk in een kudde leeft.

Ik zag enigszins op tegen de paardentractiedag in Dwingeloo, die gisteren was. Ik ben wat beducht voor grote dieren en paarden hebben me al regelmatig gebeten. Ik ben geenszins van plan er een werkpaard op na te houden, dat ben ik gewoon zelf wel en anders de trekker. Op school is ons uitgelegd dat je gewoon eens moet meemaken hoe je kunt samenwerken met een paard. Niet omdat het gemeengoed is binnen de biologische landbouw. Wel omdat het, als je ervoor zou voelen, een optie kan zijn. Bijvoorbeeld om een niet al te grote boerderij of perceel bodemvriendelijk te bewerken. Een paardenhoef drukt de bodem veel minder samen dan trekkerbanden, en de bodem herstelt de schade ervan zelf heel makkelijk.

In Dwingeloo woont een echtpaar dat helemaal gek is van Belgische trekpaarden. Ze hebben van hun hobby hun werk gemaakt. Hun bedrijf, De Tonnemaker, doet van alles met trekpaarden, onder meer ook les geven aan (deeltijd)studenten van de Warmonderhof. Uniek, is dat, heb ik ondervonden. Met enkele klasgenoten was ik een van de mensen die het niet zo op paarden heeft. Te groot, ik snap ze niet. We kregen eerst wat theorie en daarna gingen we op elkaar oefenen hoe het is als je met de ogen dicht met leidsels ‘bestuurd’ wordt. Een kwestie van vertrouwen, dat voel je. Je moet voelen wat degene achter je wilt.

Na een wandelingetje met een paard aan het halster en na de pauze mochten we echt aan de slag: een paard een trekstand met autopand laten trekken en hem (of haar) via een parcours leiden. Eerst heel erg onwenning. Mijn eerste paard, Bea, wilde almaar keuvelen met haar soortgenoten en naar de pauzeplaats om stil te staan. Het tweede paard was een slime ruin, Reyno. Hij had het parcours de eerste keer met de cursusleider gelopen en ik merkte dat hij zelf al wist waar hij heen wilde. Ik vond hem erg leuk, merkte ik. Het derde paard, een merrie, wilde almaar niet gaan lopen. Je kon ‘vort’ roepen wat je wilde, maar er moest een klasgenoot aan te pas komen om het dier aan het stappen te zetten.

Toen de workshop was afgelopen waren we allemaal opgetogen, ook alle bangeriken. Wat aan het begin van de dag onmogelijk had geleken, hadden we stuk voor stuk een beetje ervaren: zelf een paard leiden, voelen hoe het is met een dier te werken. Een gewaardeerd volgster van dit blog, een koeienboerin, reageerde direct op een tweet van mij hier over: “Ik krijg hiermee wel een heel ouboulig beeld van biologische landbouw… Ik zie het graag eigentijdser: mooi biologisch melkveebedrijf met melkrobot en weiden.”

Hierbij zag zij iets over het hoofd. Wat zij als een ‘beeld’ van de biologische landbouw begreep, heeft daar weinig mee te maken. Wij zijn moderne, wereldwijze al wat oudere leerlingen, kritisch, ieder met een eigen beroep. Wij willen leren over biologische landbouw en de manieren waarop die beoefend wordt. We hebben allerlei moderne zaaimachines bekeken, we kregen les over niet-kerende grondbewerking, we hebben kastechniek geleerd en tomaten geënt, we zijn voorgelicht over alle denkbare stalsystemen voor koeien én over melksystemen. We horen ook hoe verschillend biologische landbouw wordt ingevuld en we zien dat op onze stagebedrijven. Er zijn boeren die intensiever telen dan gangbare collega’s. Er zijn biologische boeren die veel koeien en robots hebben en er zijn er die een paar koeien hebben met tuinbouw, enkele varkens, wat kippen en veel klanten. Er zijn eigenlijk geen biologische boeren die met een trekpaard werken: de trekker is alom aanwezig en bioboeren weten als geen ander vaak wat werken met GPS is. De boer zelf kiest hoe hij het liefste zijn bedrijf inricht.

Paarden op onze boerderij, voor de Eerste Wereldoorlog

Paarden op onze boerderij, voor de Eerste Wereldoorlog

Op onze boerderij, waar de familie 102 jaar boert, is tot begin jaren zestig met werkpaarden gewerkt. Ploegen, schoffelen, oogsten. Mijn schoonvader is er mee groot geworden. Hij had als jongeman voor de oorlog zelfs een chique rijpaard, dat hij in tenue bereed. Na de oorlog, ten tijde van het Marshall-plan, werd alles anders. Mijn schoonvader stortte zich op de mechanisatie, daar was hij enthousiast over. Van paarden moest hij niets (meer) hebben. Hij had als een van de eersten hier in de provincie een ligboxenstal.

Over de werkpaarden wilde hij niet meer praten. Het beetje dat wij ervan weten, is van een oude boer hier in de buurt, die er nog twee stil heeft staan in zijn wei. Zelf kan ik nu ook een beetje trekker rijden en ik zal het beter gaan leren. Een werkpaard komt er niet in. Toch vond ik het een voorrecht dat ik de kans heb gekregen te ondervinden wat het betekent om te werken met paarden. Levende wezens, met een eigen wil, die niet altijd doen wat jij wilt, die ziek kunnen zijn, gewond kunnen raken, die verkeerde stappen kunnen zetten. Ze moeten tijd hebben om te rusten en te eten. Niet het sleuteltje in het slot en karren maar. Ik heb enorm veel respect voor die mensen en dieren die het zo lang met elkaar hebben kunnen rooien, letterlijk. Ik vind er niets oubolligs aan. Sterker nog: ik vind het jammer dat wij niet als de dagstudenten leren ploegen met de paarden.

Drie sterren eten in Parijs

Ik heb een originele man. Omdat ik hem wel eens onbezoldigd help op de boerderij, had hij bedacht dat we gingen lunchen in Parijs. Op zijn kosten. Bij Alain Passard, een beroemd kok van wie ik een kookboek heb (‘Groenten in de hoofdrol’). Passard ging van het vlees als de koning van de maaltijd af, belde Michelin, en behield – ondanks zijn ongewone beslissing – zijn drie sterren.

Die drie sterren waren wij vergeten. Piet had gereserveerd, met hulp van mijn creditcard. Er zou 200 euro pp worden afgeschreven als we niet kwamen opdagen. Vandaar dat we tijdig de trein namen: vorige zondagmiddag, om maandagmiddag om 13.00 uur te gaan lunchen bij L’Arpège aan de Rue de Varenne.

Vanuit ons hotelletje aan de voet van de Sacré Coeur liepen we maandagochtend naar Rue de Varenne, waar ook de Franse president zijn werkkamer heeft. Nog altijd lichtvoetig, al hadden we wandelschoenen aan. We waren te vroeg en gingen alvast kijken. Niks geen mooi restaurant, maar een witte gevel met afgeschermde ramen. Een zakelijke uitstraling en een prijslijst waar je van achterover sloeg.

Nog een blokje om, in een portiek onze wandelschuiten vervangen voor iets passender schoeisel en naar binnen. Het eetzaaltje – meer was het niet – zag er kaal en zakelijk uit, met een lelijke donkere vloerbedekking en nergens een bloemetje. Wel glas in lood met door Passard zelf ontworpen ‘collages’ van groenten. Jongens en meisjes in zwart-wit gekleed, gedempt sprekend en alles zorgvuldig aanrakend zonder enig geluid te maken. In het zaaltje zaten ongeveer 35 mannen en vrouwen, van op het oog allerlei allooi: een Japans superjong stel, twee blonde zusjes, een vrouw wier afspraak niet kwam opdagen, een modekoning met zakenman en leermeester, een hoge ambtenaar of zakenman met partner, een groepje vrienden, een Indiaas uitziend stel enzovoorts.

We kozen ‘de lunch van de tuinman’. Een klasgenoot van me die het restaurant had bezocht voor eenzelfde lunch, had me verteld dat die uit een gangetje of 12 bestond. En zo was het. Een ei dat half uit een ei bestond, waarvan het eiwit iets heel anders was. Verrukkelijk. Een onwerkelijk heldere oranje groentebouillon met aardse smaken en flinterdunne deegkussentjes, de één met een vulling gebaseerd op knolselderij, de tweede met artichok en de derde met koolraap. Smaakexplosies. Gecarameliseerde witlof met een saus van eendenlever. En zo ging het maar door. Heerlijk. Geen tomaatje, sperzieboon of sla te zien: louter knolachtige wintergroenten die er nu zijn, bitter en aards. Hun eigen smaak zo gecomponeerd samen met andere smaken dat je iets hemels proeft.

Het gekke is dat wij iets te barbaars zijn om hiervan ten volle te genieten. We aten verrukkelijk, maar we misten de gastvrijheid en hartelijkheid die we bijvoorbeeld bij een fantastisch Nederlands kok als Dick Soek zo op prijs stellen. We zaten er toch een beetje als crème de la crème die wij niet zijn en wat we niet nastreven. Het gekste was nog wel dat de dame hoofdgerant, die ons zeer aimabel behandelde, een van de serveersters in haar arm kneep toen ze kennelijk iets fout deed en daarna poeslief naar mij lachte. En de chef? Hij kwam al vrij snel binnen in het zaaltje en begroette alle gasten alsof hij hen allerbeste vriend was. Zo ook Piet, die hij van achter vastpakte en omhelsde. Ik kreeg een hand. Hij begon te praten, maar we verstonden hem niet. Of we van groenten hielden? Ja, we hebben ook zelf een boerderij. Hij ging alweer naar een volgend tafeltje.

Bij het afscheid omhelsde hij Piet opnieuw innig. Ik wist niet wat ik moest zeggen. Op verzoek van Piet stelde ik nog een vraag: welke groente hij het liefste at? ‘In welk seizoen?’, vroeg hij slim. ‘Doe maar zomer’, zei ik. ‘Aubergine’. Dat was het. Toevallig de enige groente die ik niet eet, omdat ik er ziek van word.

Hoewel ik zelf veel meer gecharmeerd ben van een boersere en ruigere keuken, besef ik dat Alain Passard kan betekenen voor onze bewustwording van hoe wij ons voeden. Dit soort zaken sijpelt vaak van de hogere echelons door naar de lagere. Passard heeft drie tuinen waar tuinders voor hem groenten verbouwen. Hij kookt alleen met seizoensgroenten. Vlees heeft geen of een ondergeschikte rol n het menu. Als trendsetter kan hij mensen leren dat groenten even bijzonder zijn. En dat neemt mij voor hem in, net als die heerlijke gerechten in zijn kookboek, met bijzondere combinaties waardoor groenten nog bijzonderder worden dan ze van zichzelf – mits goed geteeld – al zijn. Ik hoop dat hij als beroemdheid veel voor onze eetcultuur kan betekenen.

 

Duizelig op de biokermis

Een half jaar ben ik nu bezig met de opleiding tot bioboerin. Ik was van plan om dat proces regelmatig te delen op dit blog. Nu blijkt dat ik me soms een kind op de kermis voel. Drukte. Lawaai. Overal in willen. Reflecteren achter de pc komt er te weinig van. Hoe ziet een week er nu uit?

Vorige week donderdag (18 februari) vergezelde ik Piet naar Geldermalsen, waar hij een biologische fruitcursus volgt. We vertrokken om kwart over zes ’s ochtends omdat we voor die tijd, om negen uur, een afspraak hadden bij de Genenbank van de Universiteit Wageningen. We gingen er praten over oude rassen klaver, aangezien we al een landras witte klaver vermeerderen en ervoor voelen daar ons verder mee bezig te gaan houden. Een inspirerend gesprek en een rondleiding langs de vrieskisten waar alle oude rassen in bewaard worden.

De dagen ervoor was ik tot de conclusie gekomen dat ik het liefste biologische bloemen wil gaan telen. Bij Wageningen is een biologische pluktuin. Heel brutaal heb ik de tuinder gevraagd of ik even langs mocht komen. Hij had het er veel te druk voor, maar na even twijfelen zei: vooruit dan maar. We hadden een prettig gesprek, ook over de mogelijkheid een paar dagen mee te lopen om mij beter te oriënteren. Vervolgens heb ik een oude vriend opgezocht, terwijl Piet zijn cursus volgde, en reden we ’s avonds weer in drie uur tijd terug naar Groningen.

Wandeling in eendenkooi bij Uithuizermeeden. De kooiker teelde vroeger sneeuwklokjes om zijn inkomen aan te vullen. Sporen in het landschap!

Wandeling in eendenkooi bij Uithuizermeeden. De kooiker teelde vroeger sneeuwklokjes om zijn inkomen aan te vullen. Sporen in het landschap!

Vrijdag was het tijd voor schrijfwerk en een middag shoppen met mijn moeder, die kleren nodig had. Zaterdag heb ik met een klasgenote een prachtig oud natuurgebied bij Uithuizermeeden bezocht: een eendenkooi uit de zeventiende eeuw die deels opgeknapt gaat worden. Daarna helpen planten bij mijn stagebedrijf, De Eemstuin: onder meer tuinbonen en paksoi in de grond gezet. Wat ik zondag heb gedaan, weet ik niet meer.

Maandag en dinsdag naar school. Het is soms lastig om alle indrukken te verwerken. En meningen! We hebben een klas die varieert van wereldverbeteraar tot omschakelend gangbaar boer, van zorgboeren tot mensen die zelfvoorzienend willen leven. Het feit dat je als boer geld moet verdienen om in je levensonderhoud te voorzien, is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Zelf vind ik een te grote focus op het economische aspect niet interessant, maar je zult met een eigen bedrijf de financiële kant rond moeten krijgen. Dat peperde de accountant me tussen de lessen in een telefoontje ook nog eens in. ‘Je moet zorgen dat de bank er vertrouwen in heeft, dus er moet een goed plan liggen.’ Het lijkt dan ineens of ík de wereldverbeteraar ben!

Tomaten enten op school, 22 februari. Verschillende onderstammen en enten. Zien welke het 't beste doen: Empower of Maxifort onderstam met Cherry type en Empower onderstam met Ardiles (ent).

Tomaten enten op school, 22 februari. Verschillende onderstammen en enten. Zien welke het ’t beste doen: Empower of Maxifort onderstam met Cherry type en Empower onderstam met Ardiles (ent).

Dinsdag kregen we les over kippen. Ik had er naar uitgezien: biologische vleeskippen houden wordt onze kernactiviteit. Maar de les ging alleen maar over leghennen. Toen ik de docent vroeg of vleeskippen later aan bod zouden komen, zei hij: ‘Daar ben ik heel snel over uitgepraat.’ Een domper als je hoopt kennis, ideeën en inspiratie op te doen. En toen ik tijdens de lunch een andere docente advies vroeg over het maken van een goede houtsingel om de uitlopen van de kippen, reageerde ze lauw. Ik meen dat men op school het houden van biologische vleeskippen een te intensieve tak van sport vindt. Het past niet in de bio-dynamische visie. Terwijl wij het gewoon heel goed willen opzetten, zo goed als we het nog nergens hebben gezien!

Dinsdag na school kwam Piet naar Dronten. Tijdens een anderecursus had hij een bio-dynamische boer in de polder ontmoet die werktuigen te koop aanbiedt. Als toekomstig boerin moet ik dan meebeslissen of we zo’n wiedeg of schoffelmachines moeten aanschaffen. Een van die apparaten was 9 x 3 meter. Mooi ding, maar hoe krijg je zoiets naar Loppersum? Een voorstelling van poppenspeler Servaes Nelissen in theater Ochterop in Meppel gaf ontspanning.

Met Isabel, mijn stagetuinder, deelde ik woensdag mijn teleurstelling over de input van school wat betreft onze kippen. Ze legde uit dat je soms echt zelf moet uitvinden wat goed is. Dat is ondernemerschap. Visies lopen uiteen, ik moet daar niet te gevoelig voor zijn. Mijn lief en partner Piet weet veel beter op zichzelf te vertrouwen, merk ik, omdat hij veel ervaring heeft en een eigen visie. Die ben ik nog aan het vormen. Alleen zou ik dit hele proces niet eens aandurven. Zo onzeker op je 54ste. In de kas kreeg ik een nieuwe opdracht: ‘wil jij eens uitrekenen’, vroeg Isabel, ‘hoeveel ik van verschillende groenten kan aanbieden aan de groothandel?’ Ik werd even wanhopig, maar het lukte de meters rijp gewas om te rekenen naar kilo’s.

De vleeskoeien bij de familie Arkema, donderdag 25 februari. Waarnemingsopdracht.

De vleeskoeien bij de familie Arkema, donderdag 25 februari. Waarnemingsopdracht.

Gisteren (donderdag) heb ik met een studiegenote uit de buurt koeien waargenomen. Zij is van klas veranderd, dus we hebben eerst uren bijgepraat en ervaringen en plannen uitgewisseld. Mijn hoofd tolde ervan. De koeien die we vervolgens bezochten in de stal bij Bé en Margreet Arkema verspreidden gelukkig een weldadige rust. Deze Blonde d’Aquintaines staan dichter bij de natuur en hun ware koe-aard, dan melkvee. Dat meenden wij te zien en de boer bevestigde dat. De stier loopt tussen de koeien en bepaalt wanneer de dieren gedekt worden – niet de boer. De boer gaat er nooit tussen lopen, maar werkt altijd van achter een hek. De dieren zijn alert en nieuwsgierig, maar houden afstand. Ook dat gaf nogal te denken. Misschien is vlees eten wel minder erg dan melk drinken! Ik moet er niet aan denken er met melkveehouders over te moeten discussiëren en ik weet het antwoord niet. Onze maatschappij is gigantisch ingewikkeld en alle meningen die mensen hebben maken het er voor mij niet makkelijker op. Wat wil ik, hoe zie ik het? Wil ik wel een mening hebben? Misschien toch een beetje te veel in de biologische zweefmolen rondgedraaid deze week?

Kwekertje in de dop

Sinds 1 februari loop ik stage bij biodynamische tuinderij De Eemstuin in Uithuizermeeden. Ik kende Isabel Duinisveld, de tuinder, al een beetje van een boerenmarkt waar ik zelf ooit veldboeketten verkocht. Nu is zij mijn leermeesteres. Daar ben ik erg blij mee. Want ik merk dat deze dame, met meer dan 20 jaar ervaring, over veel kennis beschikt en die graag en goed weet te delen.

Ze had me vooraf gewaarschuwd: wij doen hier heel veel dingen, we telen veel verschillende gewassen en het is lastig om overzicht te krijgen en je vaardigheden te oefenen. Ik zat er niet mee. Jammer genoeg werd ik na mijn eerste stagedag twee weken geleden ziek. Dus de eerste twee weken heb ik slechts 1 dag per week kunnen werken, ook vanwege school. Afgelopen week ben ik eindelijk los gegaan met drie dagen.

En dat was heel bijzonder. We werken op dit moment in de kas, die ongeveer een kwart ha meet. Er zijn nog allerlei gewassen die daar nu geoogst worden: winterpostelein, andijvie, zwart mosterdblad, veldsla. Er zijn enkele gewassen al geplant of gezaaid: worteltjes, broccoli, raapstelen, spitskool, uitjes, knoflook, tulpen(!). Er staan peultjes en bonen in de eigen opkweek. En we hebben afgelopen week bedden klaargemaakt voor het planten van gewassen die deze week geleverd zijn.

Het plantgoed gaat zaterdag de grond in. Want Isabel werkt ook met de zaaikalender. Dat is helemaal nieuw voor mij. Vorige week jeukten mijn handen om het wortelbed te wieden. ‘Nee’, zei Isabel, ‘we moeten wachten op een worteldag.’ Niet alleen het zaaien of planten, maar ook de verzorging van de teelten gewassen moet echt gebeuren op een blad-, bloem-, wortel- of vruchtgewas, afhankelijk van het gewas. Maandag mocht ik eindelijk aan de gang met  worteltjes wieden. Mij kun je niet blijer maken dan met zo’n werkje: opletten, precies werken.

De zon scheen dus het werd gaandeweg lekker warm in de kas. En toen stelde Isabel voor dat ik de temperatuur en vochtigheid van de kas in de gaten zou gaan houden. Ze leerde me hoe je de ramen open zet als het warm en vochtig wordt. Dat je vaak naar de thermometer moet lopen en naar gelang te temperatuur stijgt, daalt of gelijk blijft beslist of de rammen een stukje verder open kunnen, zo kunnen blijven staan of weer dicht moeten. Het was interessant om te beleven hoe de temperatuur soms heel snel stijgt, maar op een dag na nachtvorst heel langzaam opkruipt. Dat komt omdat de bodem moet opwarmen. Dat er ’s ochtends dan ijs op de kappen ligt, helpt ook weinig mee, want de zon komt er dan niet door. het is dan ook vrij donker in de kas.

Isabel cultiveert een bed dat a.s. zaterdag beplant gaat worden

Isabel cultiveert een bed dat a.s. zaterdag beplant gaat worden

Er is ruimte om ideeën te opperen. Zo zag ik tussen de worteltjes malvaplantjes staan. Opslag van vorig jaar, want Isabel kweekt malva voor salademengsels. ‘Zal ik ze oppotten?’, vroeg ik. Mijn plantjeshart klopte nog sneller, toen ze enthousiast reageerde. ‘ja, goed idee, want ik moet ze nog zaaien, dan hebben we alvast wat.’ Ik heb ook wel eens idee dat niet zo geslaagd is. Zo dacht ik dat het goed was om een bed dat net gecultiveerd was (losgemaakt met een werktuig dat de grond mooi lostrekt) nog te eggen. Ik mocht het proberen, maar Isabel vond het niet goed gaan: de eg liep er niet gelijkmatig doorheen en de losse grond werd door mijn voeten te veel samengedrukt.

Dat vind ik indrukwekkend: een leermeesteres die de touwtjes durft te laten vieren. Ze roept me terug als het nodig is en laat me ondervinden hoe het is om beslissingen te nemen. Ze heeft overigens gelijk: het zal wel even duren voordat ik vat krijg op deze kwekerij. Op de planning, op de vruchtopvolging, op de verdiensten, op de momenten waarop je wat gaat doen. Maar dat komt wel. In elk geval heb ik al veel kunnen doen: kweekgras weghalen, planten, wieden, eggen, vorstbeschermende maatregelen toepassen, houten steunpalen plaatsen voor bonen (samen met de vaste medewerkers), zelfstandig de temperatuur reguleren, mosterdblad en winterpostelein oogsten en netjes in bakken leggen. Heel mooi werk om te doen.

Erwten eten voor een betere wereld

‘Wonder van Scheemda’ is een onaanzienlijk kreukelerwtje. Vrijwel niemand kent haar meer. Arïen Baken is dit erwtje aan het vermeerderen. Inmiddels zijn wij er op onze akker ook mee aan de gang: volgend jaar hopen we zoveel te hebben, dat we de smaak kunnen gaan uittesten. Ariën, die al decennia in Groningen woont, is zoon van een pachtboer uit Noord-Holland. Hij was tot voor kort docent aan de Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden en eerder in Groningen. Toen Ariën dertien was, verhuisde het gezin naar de Noordoostpolder, waar zijn vader agrarisch medewerker werd. ‘Ik ben altijd van het gemengd bedrijf gebleven’, lacht Baken. ‘Landbouw, het landschap, milieu, agrarisch natuurbeheer, duurzaamheidsvraagstukken, recreatie, toerisme: ik kan het niet los van elkaar zien. Het is één geheel.’

Vergeten granen

Sinds zijn pensionering in 2014 kan je Ariën vaak vinden op het kleine lapje grond dat biologisch boer Piet van Zanten in Garmerwolde hem ter beschikking stelt. Hij vermeerderde er voorheen al oude rassen uit zaden die bewaard werden bij De Oerakker, een stichting waarvan hij bestuurslid was. Vergeten regionale granen, zoals emmertarwe en Ommelander wintertarwe. Van Zanten zaaide die over zijn akkers uit. Bakkerij Staghouwer uit Leek-Tolbert en de consequente BioBakker uit Ahaus, Duitsland, bakken daar biologisch brood van.

Ongeschikt voor moderne landbouw

Deze tarwesoorten behoren tot de zogenoemde langstro-rassen: ongeschikt voor de moderne, gangbare landbouw. Kunstmest, maar ook overvloedige organische bemesting maakt ze veel te slap, waardoor ze omwaaien. Hun eigenschappen zijn uitstekend voor een andere, minder intensieve teeltwijze, doceert Ariën. ‘Deze planten hebben een goed wortelstelsel en lang stro, waar veel wind doorheen kan waaien. Ze worden daardoor minder snel ziek in vergelijking met moderne rassen waarbij de halmen en aren dicht op elkaar staan. Het bovenste blad van dergelijke granen – het vlagblad – is breed: het vangt daardoor veel zonlicht. Daardoor kan de Ommelander tarwe veel lichtenergie opvangen waarmee kooldioxide (CO2) wordt omgezet in koolhydraten.’

Erwt tussen oude cultuur en nieuwe toekomst

Anders dan granen zijn erwten, net als bonen, gemakkelijk te kruisen. Daardoor bestonden er vroeger veel lokale soorten erwten en bonen. ‘Je ziet het: dit is een kreukelerwt’, zegt Ariën, een Wonder van Scheemda tussen vinger en duim klemmend. ‘Of een erwt kreukt of niet hangt samen met het type zetmeel waaruit ze is samengesteld.’ Ook zetmeelverhoudingen in erwten en bonen verschillen. Dat maakt de ene soort melig en de andere zoeter of smakelijker. Voor Baken verbindt de erwt een oude cultuur met een nieuwe toekomst. Erwtenteelt verbetert de bodem van je akker of moestuin en voedt de bodem op een natuurlijke manier met stikstof. ‘Een erwt is een vlinderbloemige: een gewas dat, net als bonen, in staat is om krachtig te wortelen. Vlinderbloemigen hebben wortelknolletjes, waarin zij in samenwerking met rhizobium-bacteriën stikstof uit de lucht binden. De stikstof is nodig voor de groei van de plant, voor het assimilatieproces van CO2 uit de lucht. In de organische stof worden de koolstofverbindingen en de energie vastgelegd. Bonen en erwten waren in oude beschavingen ontzettend belangrijk. Zij verbeterden de bodemvruchtbaarheid. Nu hebben wij hier stikstof in de vorm van kunstmest. Maar in grote delen van de wereld hebben boeren geen geld voor stikstof kunstmest. Bovendien kost de productie van kunstmest energie. De voorraad fossiele energie is eindig. Zonnepanelen alleen wekken onvoldoende energie op om in de behoefte te voorzien. Duurzame biologische landbouw en gezonde voeding zal weer erwten en bonen nodig hebben.’

Goed voor gezondheid, landbouw en milieu

Ariën Baken kan het niet maken om dagelijks uitsluitend erwten en bonen te eten, want hij woont niet alleen. Als hij alleen was, zou hij het doen: de erwt verbindt het landschap en de bodem met zijn eigen gezondheid. ‘Uit gezondheidsoogpunt zijn erwten en bonen interessant, vanwege hun inhoudsstoffen en vitamines. Dat brengt direct met zich mee dat die inhoudsstoffen ook in de grond aanwezig moeten zijn.’ Zo’n erwtje biedt houvast om na te denken: hoe en welke producten verbouw je? Hoe zorg je dat natuurlijke cycli niet verstoord raken? ‘De stikstofkringloop en de koolstofkringloop zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Boeren en boerinnen, in Nederland nog slechts één procent van de beroepsbevolking, managen de stikstof- en de koolstof kringloop. Het is belangrijk dat méér mensen zich bewust worden van de samenhang.’ Door meer erwten en bonen te telen én te bereiden, is zijn overtuiging, kunnen we een begin maken met het verduurzamen van gezondheid, landbouw en milieu.