Van mica tot klei

Mijn piepkleine bestaan als bioboerin vormt overal groeitentakeltjes. Ze zijn nog erg vormloos maar staan in knop. Net als okselknoppen in wortelstokken. Het gaat de laatste dagen overal over. Van Jochem heb ik vorige week heel veel gehoord over rijpadensystemen, erwtenteelt en stage lopen. Ik heb pompoenen geoogst: eerst met het team van Okke en Caroline en dit weekend de restjes: de ieniemieniepompoentjes die waren achtergebleven. Ik heb hun erf en percelen ingetekend. Nu breek ik mijn hoofd over de vruchtwisseling: ik snap helemaal niet wat de logica in hun percelen is – mij schijnt het een ratjoetoe toe, maar ik wéét zeker dat het geen ratjetoe is.

Daarna hebben we ons thuis aan de keukentafel gebogen over een missie en visie voor een toekomstig bedrijf. En gisteren en vandaag was het weer school op de Warmonderhof. De lessen groententeelt zijn geweldig leerzaam. Ik teel al jaren groente, maar zonder kennis van de plantensoorten. Nu hebben we de kenmerken van vlinderbloemigen, nachtschaden, lelie-achtigen (jawel: daartoe behoren preien en uien), kruisbloemigen, ganzevoetachtigen en alle andere plantenfamilies doorgespit. Ik wil het best onthouden, maar het gaat nog het ene oor in en het andere oor uit.

Dan lessen over bedrijfsinrichting: machtig interessant. We leren plaatjes maken die een bedrijf in een snelle oogopslag inzichtelijk moeten maken. En dan voeding. daar weet ik al wel heel veel van, maar het chocoladesoorten proeven en benoemen welke smaken we ervoeren was erg leuk en ook leerzaam. Vanmiddag, ten slotte, hoorde ik voor het eerst waaruit klei is ontstaan: uit mica, hetzelfde spul waar vroeger onze kachelruitjes van werden gemaakt! En dat mica kwam dan weer uit gletschergesteenten die kapot sprongen, verweerden en via rivieren verplaatst werden naar lager gelegen gebieden en de zee.

Op het terrein van Warmonderhof zie je ook van alles. Zo ontdekten we vandaag in de kas waarin ook ons leslokaal is een soort stempelmachine waarmee je in een bak aarde kan persen tot blokjes waarin je kunt zaaien. Handig! Mijn respect voor boeren groeit alleen maar, of ze nu biologisch zijn of niet: ze weten toch wel veel, zijn handig, technisch, als het goed is zijn ze financieel en organisatorisch onderlegd, ze snappen 29-09-15 Bieten op het erf na de lessende bodem, kennen hun mineralen en ga zo maar door. Toen in thuiskwam om half zeven, kon ik de schuur nauwelijks meer in: er waren vandaag zo’n 8 hectare suikerbieten gerooid. Keurig opgestapeld, veel werk verricht. Tentakeltjes: jullie moeten maar lekker groeien en jullie vertakken. Ik ga ondertussen nog wat studieboeken bestellen.

Als het binnen is…

Ach, wat een plezier op het land. Vanochtend mocht ik weer naar de akkers, dit keer om pompoenen te snijden. Ik had ze boer Okke zien zaaien, in juni, en ach wat hadden die zaadjes het moeilijk gehad om hun taak in het leven, het ontkiemen, voor elkaar te krijgen. Boer en boerin wendden zich vandaag tot de pompoenen, omdat de kolen nog wat verder moeten groeien. Eigenlijk wat te vroeg naar hun zin: nog veel blad, waardoor het oogsten langzamer gaat. Ze waren ietwat somber gestemd: de opbrengst leek minder dan ze gewend zijn. Maar ja, je moet het toch binnenhalen. ‘Het is pas van jou als je het binnen hebt’, was Okke’s one liner waarmee hij de dag ferm begon. We boorden ons met onze ‘machetes’ door een woud van loof en ranken. Prachtig. Hele mooie pompoenen. Voor mij was er niets mis mee. Bewondering. En onder dit sporten door almaar filosoferen over de landbouw. Halve dag. Morgen proberen een hele dag te maken, al voel ik nu weer iets in mijn rechter bovenarm. Stads watje. 

Mier, kolen en pezen

De stageboerin had gegrinnikt, toen ze me belde dat de wittekolen oogst zou beginnen. Toen ik gisterochtend op haar erf verscheen, vertelde ze meteen waarom. Boer Okke moest namelijk lachen toen hij hoorde dat ik aan de lijn was. ‘Jufffrouw Mier’, noemt hij mij – altijd druk-druk-druk. Nou, dat geeft niks, hij heeft zelf ook zijn eigenaardigheden, waarover ik hier vanwege de privacy niet al te veel zal uitweiden.

In mei hebben we witte koolplantjes gepoot, weten jullie nog: 124.000 op één perceel. Nu mochten ze er uit. Het regende af en toe en zoon Jochem jubelde dat kolen een geweldig gewas zijn: als aardappelboeren en andere collega’s niet kunnen oogsten kun je dat als kolenboer wel! We werkten met zijn zevenen: boer, boerin, zoon, drie Poolse uitzendkrachten en ik. De mannen sneden de kolen, legden ze op een bandje dat langzaam meereed en de boerin en ik legden ze achterop de wagen in bakken. De kolen waren soms klein (rond de kilo) en soms heel groot (4 kilo?) en daartussenin zoals ze het liefst verkocht worden: rond de 1,2 kilo. We haalden 16 bakken van het land en ik schat dat in één bak zo’n duizend kolen zitten. De boerin en ik hebben dus samen misschien wel 16.000 zware en lichte kolen door onze handen laten gaan. Zij tweederde en ik eenderde, omdat ik veel langzamer was. En nu komt het: de stadseboerin is wel dapper, maar niet zo gehard: 6.000 kolen bezeerden langzamerhand haar armen. ‘Beetje spierpijn’, dacht ik.

16 bakken met witte kolen, geoogst op 16 september

16 bakken met witte kolen, geoogst op 16 september

De stageboeren weten hoe zwaar dit werk is. Omdat het de eerste dag was, stopten we al om een uur of drie. Dat doen ze altijd bij aanvang van deze oogst. Niet eens moe ging ik naar huis. Daar smeerde ik mijn pijnlijke rechterarm in met een spierbalsem van de kruidenvrouw om de hoek. Piet zag een verdikking op mijn beide polsen, vooral op de rechter. Vanochtend smeerde ik die nog pijnlijke pols opnieuw in. Een zwachtel eromheen voor versteviging en toen naar de boerderij.

‘Hoe is het met je lijf?’, vroeg boerin Carolien, die zelf ook niet pijnloos uit de strijd was gekomen belangstellend. ‘Goed’, antwoordde ik. ‘Maar mijn pols is een beetje dik en ik heb hem daarom ingezwachteld.’ ‘Dan ga jij niet werken’, zei Carolien. ‘Hup, naar de dokter.’ Gelukkig was de huisarts, een co-assistent, niet erg gealarmeerd – het was geen peesontsteking, zoals mijn stageboeren dachten. ‘Overbelast’, zei de medische student, zoon van een Urker visser. ‘Dat werk even niet doen totdat de pijn over is, en dan weer gewoon beginnen.’ Alweer een nieuwe les: je lijf is kwetsbaar als bioboerin en daar moet je heel goed naar luisteren. Wat fijn dat mijn stageboeren goed op hun personeel letten. Want ik zou anders vandaag gewoon aan het werk zijn gegaan. Als een echte juffrouw Mier.

Een eerste les: geld verdien je door het niet uit te geven

Zo! De eerste twee lesdagen op Warmonderhof zitten er op. Vol verwachting reed ik in mijn Peugeootje richting Dronten op maandagochtend, in de spits. Nog wat onwennig verzamelde de groep zich aan de grote koffietafel, in wat als kantine dienst doet. Zo’n 28 personen van allerlei leeftijden en achtergronden. We zijn nu minder onwennig en weten wat ons te doen staat: stage lopen, opdrachten doen, altijd op school verschijnen, de tafel afruimen na de heerlijke lunches en diners. Ondertussen hebben we veel lessen gehad: over grondsoorten in Nederland en hoe die zijn ontstaan. We hebben erven van boerenbedrijven bekeken op hun samenhang. We hebben gehoord dat je op biologisch-dynamische bedrijven net zo goed overspannen kan raken. We hebben onze kennis van de fysiologie en vermenigvuldiging van planten behandeld. We hebben twee koeienschuren bekeken en van alles gehoord over waarom maïs slecht zou zijn voor koeien. En dat de investering voor zo’n stal normaal gesproken zo’n 5000 euro per koeplaats bedraagt, maar dat het ook met veel minder kan, onder het motto ‘Hoe verdien je geld? Door het niet uit te geven!’ En dan was er ook nog een avondlezing van een biologische imker, die uit de doeken deed dat biologisch certificeerder SKAL biologisch imkeren niet zo makkelijk maakt. We sliepen in stapelbedden, ontbeten al om half acht, en zijn twee dagen zeer intensief beziggehouden. Het gekke is: ik ben niet eens moe. En dat is maar goed ook! Want ik moet nu als een idioot mijn verplichte stage-uren gaan maken. Zeker twee dagen in de week, of anders ook in de schoolvakanties. Ik zat er al wat over te piekeren op de terugweg. Want het regende enorm en ik vroeg me af of mijn stageboeren überhaupt de groenten nog wel van het land krijgen, want het is zo vreselijk herfstig en nat. En ik heb nog nauwelijks uren gemaakt. Toen ik thuiskwam, bleek de boerin al gebeld te hebben – wat een geluk bij een ongeluk (ik was mijn mobiele telefoon vergeten mee te nemen naar Dronten). Morgen om kwart voor acht sta ik op haar erf, wat ik overigens ook moet gaan bestuderen op samenhang. Ze heeft een regenbroek en regenjas voor me. ‘Kleed je liever maar te warm aan dan te koud’, zei ze moederlijk. Dat ga ik doen.

Morgen eerste schooldag

Eindelijk gaat het dan beginnen. Mijn slaapzak ingepakt, nieuw schoolschrift in de rugzak, man en moeder voorzien van to-do lijstje, bandenspanning gecontroleerd: morgenochtend om 8:00 uur vertrek ik voor de eerste keer naar Dronten, naar de Warmonderhof. Samen met 24 anderen uit onder meer Nijmegen en Arnhem, Onnen en Stadskanaal, Eindhoven en Lage Zwaluwe ga ik mij storten in de biologisch-dynamische landbouw. Morgenavond eet ik biologisch-dynamisch en slaap ik op zaal. Ik voel me een echte scholier, ik mag weer naar school! Al mocht ik de oudste zijn van de klas, het kan me niet schelen. Ik hoop dinsdagavond met veel verhalen thuis te komen.