Op de wiedewiedewiedwagen

image

Plat op de buik, m’n voorhoofd leunend op een plastic band – als de zon scheen zou het heerlijk zijn. Maar vorige week en vandaag ervoer ik hoe je wortels wiedt vanaf een wiedbed of wiedwagen in een koude wind. Twee uur liggen op je buik, handen naar voren, kop boven de jonge wortelplantjes en alles er uit grazen wat iets anders is. Dan koffie- of andere pauze. Nou doe ik niets liever dan wieden. Zelfs de kou wende, al moest je je handen en voeten echt opwarmen in de pauze. Toch genoot ik ervan om met vijf, zes man tergend langzaam, maar toch snel genoeg om af en toe een kruidje te missen, de akker over te gaan. Radio aan, kletsen, duizelen bij het afstappen. Mmmm. Ben sowieso dol op wieden. Maar het leuke is dat ik in het ritme van het boerenwerk begin te komen. Ik probeer het thuis ook eens wat strakker te doen. En zo trokken we gisteren er op eigen boerderij eveneens met een stuk of zes hulpen op uit, koffie, thee, koek en kopjes in een krat en werken maar, met zijn allen, in ons geval met schoffels. Als je begint aan zo’n grote akker met tarwe lijkt het onbegonnen werk. Maar als je doorwerkt met zijn allen, ben je er in een paar dagen echt doorheen. Het fijne is dat je volop kunt kletsen, als je maar doorschoffelt en wiedt. En dan maar hopen dat er niet te veel nieuw onkruid de kop opsteekt, want dan begint het hele feest op nieuw.

De Goede Persoon Stuurt

Vandaag zou ik weer gaan werken bij mijn stagebedrijf. Ik had eerder deze week gebeld: het plan luidde zo ongeveer dat er pompoenen gezaaid zouden worden, of het pompoenenland verder klaargemaakt zou worden. Zo begreep ik dat. En omdat het stagebedrijf dat pompoenenland huurt bij Stedum, waar wij vlakbij wonen, zei ik: ‘Ik ben er dan om 8 uur!’ Want normaal zijn we allemaal om kwart voor acht aanwezig op de stageboerderij, gaan we samen naar het land en zijn we om 8 uur aan het werk.

Onderweg, op de fiets, mijn schop voor alle zekerheid in mijn fietsmand, kwam ik eerst Piet met zijn trekker tegen op het fietspad. Die stopte daar omdat hij er niets van snapte wat ik daar deed. Na een korte uitleg vervolgde ik mijn route. Toen ging mijn mobiel. Stageboerin Caroline. ‘Kom jij nou nog hierheen?’, vroeg ze. ‘Had je dat niet eerder kunnen zeggen?’, reageerde ik nogal bits. ‘Ik ben op weg naar Stedum!’ ‘Keer maar om’, zei ze resoluut, ‘en ga meteen naar het land toe, aan de Hooilaan, dat weet je, daar gaan we weer koolplantjes planten.’ Ik moest terug naar huis, brood ophalen, mijn fiets wegzetten, mijn auto pakken en ik zag voor me dat ze zouden beginnen met eigenlijk een man te weinig. En baalde dat het was misgelopen.

Alle leed was al snel geleden toen ik naast de boerin en drie scholieren – of schoolverlaters – zat, die dit deden bij wijze van vakantiewerk. De carrousel draaide aanvankelijk lekker langzaam, ik zat niet naast de boerin en daardoor ging ik zelf mijn trays pakken, al was de jongen links van mij wel een slag handiger dan ik: hij schoof er vaak een voor mijn neus. Maar toch, ik voelde me een enigszins gevorderde plantster.

Ik had niet zoveel te zeggen. Tijd om na te denken over mijn nieuwe avontuur. Een piekeronderwerp diende zich aan: mijn onhandigheid. Het boerenvak vergt handigheid, efficiëntie en overzicht. Zo moeten bij het keren op de akker de lege plantentrays bijvoorbeeld worden weggezet op de wagen en zetten we volle trays op de plantkar. Ik had wat lege trays in de rekken geschoven en ontdekte na een tijdje dat ik dat niet helemaal goed had gedaan. Ik bestudeerde de zaak en ging het handeltje verzetten. ‘Angela!’, hoorde ik Florian, de vaste stagiaire op het bedrijf, zachtjes roepen. ‘Oh, ik laat iedereen wachten’, zag ik zelf toen pas. ‘Bijna’, zei hij heel sympathiek.

Ik voelde me weer die verpleegster in opleiding, die als ze een patiënt ging wassen steevast de handdoek vergat of de waskom nog niet gevuld had. Dat was ons bij de eerste lessen ingepeperd: zet alles klaar zodat je niet steeds heen en weer hoeft te lopen. Na jaren ervaring vergat ik het nog! Daar tobte ik over door, terwijl de plantjes door mijn handen vlogen, ik er af en toe een liet vallen en wat missers en dubbelen had.

Vervolgens bleven mijn gedachten steken bij de markeur, die aan de zijkant van trekker is gemonteerd. Een markeur helpt de boer bij het keren om precies op de juiste afstand te rijden en koers te houden. Want de nieuwe rij plantjes moet op precies dezelfde afstand komen van de laatste rij als alle vorige rijen. Maar hoe werkt dat nou precies? Boerin Caroline antwoordde snel iets wat ik niet begreep. Toen nam boer Okke even tijd om het aan te wijzen. De markeur trekt een spoor en hij rijdt met zijn trekkerwiel in dat spoor, of liever gezegd, iets links van het spoor dat hij zich vóór en iets rechts van zijn linkervoorwiel aftekent. Zo worden al die rijtjes ook recht. ‘GPS’, zei hij olijk. ‘Weet je wel wat dat is? De Goede Persoon Stuurt.’

Nep uit de kas

Getverderrie. Dit blog gaat weliswaar niet over eten, maar als bioboerin ben je daar natuurlijk wel mee bezig. En zodoende ben ik ontstemd over het imago dat een restaurant hier in de buurt probeert op te poetsen. Ze schrijven op de menukaart dat hun groenten komen uit een kas vlak in de buurt, die is aangesloten bij de ‘slow movement’. Het overigens ook matige eten werd echter begeleid door groenten die naar niets smaakten. Vieze ijsbergsla zoals je die in de supermarkt koopt, met smakeloze tomaat en komkommer (die kun je nog helemaal niet uit een kas krijgen, als je slow food produceert!). Broccoli idem dito. We deden navraag. Van de sous-chef vernamen we dat de bedoelde kas heel klein is en maar af en toe en beperkt kan leveren. Soms zijn de wortelen zo dun, dat de kok er niets mee kan. Wat wij aten kwam bij de groothandel vandaan. Nep dus, die leuke kas! Window dressing. Vervolgens roemde de gastvrouw de chef, die ‘van een komkommer een tomaat kan maken’. Die vermeende kwaliteit gaf wat ons betreft de doodsteek aan het culinaire gesprek. Dit restaurant slaan we voortaan over.