Klaver dorsen: unieke stage bij mezelf

Ik hield het bijna niet vol. En het was niet de eerste keer dat ik het deed. Klaver dorsen. Een opdrachtgeefster van me vond het romantisch klinken. Die zag vast een zonovergoten erf voor zich, een stel paarden en een dorsvlegel. Maar oh oh, vroeger tijden mogen fantastisch lijken – ik voel nu aan de lijve hoe hard de mensen moesten werken. Daar heeft een moderne boer geen weet van, laat staan een stadse dame!

Eigenwijs type, die stadseboerin? Nou, ze moet bekennen al een heel klein beetje bioboerin te zijn. Piet en ik hebben een paar jaar de teelt van witteklaverzaad overgenomen van een boer die dit oude vak nog altijd beoefende. Ik ben een beetje bijrijder, hoor, maar samen en met hulp van vrijwilligers, telen we inmiddels een paar jaar Friesch-Groninger witteklaverzaad. Vroeger had je in deze contreien hier veel klaverboeren. In de hoogtijdagen werd er in Groningen 2.000 hectare klaver verbouwd voor dat doel, is mij vandaag ter ore gekomen. Er was immers nog geen kunstmest. Men zaaide klaver in koeienweiden om de bodem met stikstof te voeden. Klaver bindt stikstof uit de lucht en geeft het af aan de bodem. De Friesch-Groninger klaver heeft als voordeel dat het zeer blauwzuur-arm is. Dat is beter voor de koeien, die er zonder probleem van kunnen eten. Een uniek product, denken wij, voor bioboeren, zowel veeboeren als akkerbouwers en tuinders.

Omdat de klaverzaadteelt uit de tijd is geraakt is het productieproces niet gemoderniseerd. De teelt is enigszins tobben. Tot nu toe hebben we de klaver op ruiters in het land te drogen gezet. Prachtig gezicht, vinden mensen. Wel veel werk en lastig, vanwege de weersomstandigheden. Bovendien is het een kunst om het goed te doen. Doe je het verkeerd, dan zakken de ruiters in, waaien om en dan droogt het gewas allerminst.

Na drie weken drogen op het land en een winter verweren in de schuur wordt het hooi in een dorsmachine gebracht, die het zaad uit de bloemetjes weet te schudden. Dat deden we vorig jaar voor het eerst, in augustus, en de afgelopen twee dagen met de oogst van 2014.

Ik heb samen met Jaap, die 70 is en het werk nog kent, het klaverhooi – waarin de zaadjes verstopt zitten – met een hooivork op de band van de dorsmachine ‘gevorkt’. Almaar heffen, die hooivork. Jaap maakte het hooi, dat in bergen werd aangevoerd door Piet, los, zodat ik het makkelijker kon optillen. Zwaar werk. En heel erg vies, want je zit constant in een wolk stof. We hadden snoetjes voorgedaan. Af en toe vroeg ik Piet om mij even af te lossen: dan kreeg ik mijn linkerarm niet meer omhoog.

Ik denk dat mijn opleiders op Warmonderhof straks wel een beetje raar staan te kijken, als ik over deze ervaring vertel. Ik loop wel geen stage bij mezelf, maar toch noteer ik het werk en de uren in mijn boekje. Dit is tamelijk uniek: ik verwacht dat niemand in Nederland dit doet! En het is vakwerk, zeker weten! Maar we zijn heel hard aan het prakizeren of en hoe dit anders zou kunnen. Ook een uitdaging. Alleen zullen die ideeën niet van mij afkomstig zijn, want techniek is absoluut niet mijn sterke kant. Blij dat Jan Medema de dorsmachine voor ons bedient.

Ochtend zuring steken

Ik belde vanochtend de stageboerin. Want morgen gaan we op de eigen boerderij aan de slag: klaverzaad dorsen met de dorsmachine. Ik ga klaverhooi opvorken, zodat het boven in de dorsmachine terecht komt.

De stageboer bleek dichtbij ons aan het werk, met een medewerker en stagiaire. Op het land van een mij zeer bekend boer, dat zij huren. Ze waren er zuring aan het steken. ‘Ga maar even kijken’, zei de boerin. ‘Kijken, want het is zwaar werk.’ Ik nam mijn schop mee op de fiets en meldde mij om een uur of negen. Het drietal was al een uur bezig. ‘Geen vrouwenwerk’, zei ook de boer.

Maar een schop in de grond steken, daar ben ik nou juist niet zo heel erg bang voor. Dat doe ik in mijn tuin ook. Spitten, zuringen weghalen, lange penwortels van paardenbloemen…

Zuring gaat zitten in niet al te losse grond, legde de boer uit, die bemest is en omgeploegd. Er zit altijd organisch materiaal (lees mestresten) om de wortels heen. Zuring houden van verzuurde grond. Je moet er met je schop ruim omheen steken, wat wrikken en voelen en dan kom je terecht bij een enorm wortelpakket, waar je onder moet zien te komen en dan het geheel met de schop proberen op te wippen of er uit te wrikken. Soms leek zo’n pakket wel 25 kilo te wegen.

Maar het ging best. Lekker kletsen. Zo hoorde ik een bijzonder verhaal over een biologische boer die in Zuid-Spanje een appelboomgaard heeft aangelegd. Daar zou ik niet zomaar aan beginnen, geloof ik, met dat vreselijk warme klimaat daar. Maar ja, de  mens staat voor niks.

We duwden en wrikten aan de zuringen en langzaam trokken we de akker over in baantjes van een meter of negen, van voor naar achter. Ik verloor mijn regenjas, had mijn schop niet op orde (die moet blinkend geschuurd en superglad zijn om de aarde er niet aan te laten plakken). Desondanks had ik enorme schik in dit klusje, wat uiteindelijk best opschoot en mooie resultaten liet zien. Het voelde ook lekker aan het lijf.

Van de stageboer neem ik alles aan. Mijn Piet heeft me al honderd keer gezegd dat ik mijn schop en ander gereedschap steeds moet schoonmaken en invetten als ik het wegzet. Ik ga mijn geroeste schop eens goed onder handen nemen. Lekker polijsten. En nu snel boodschappen halen voor morgen, om ons kalverdorsteam goed te kunnen verzorgen.

Bloemensloop

‘Kom je morgen knolselderij planten?’ Dat was mijn stageboerin gisterochtend aan de telefoon. ’s Middags belde ze weer. ‘We doen het niet. Het land is te nat. En de koolplantjes laten we voorlopig ook voor wat ze zijn, want die we geplant hebben groeien helemaal niet. Het is te koud. Als we ze nu gaan planten is straks alles tegelijk klaar.’ Goed. Een vrije dag. Als werker in de landbouw dien je immer flexibel te zijn, zeker als stagiaire. Ik ga onze achterkeuken verder afschuren en -schilderen. Want op de eigen boerderij is er altijd werk.

Dan kan ik nu ook meteen nog dat verhaal van het kussensloop vertellen. Vorige week, toen ik zo moe was, moest ons bed nog opgedekt worden. Vaak doe ik dat. En dan gaat mijn aandacht vooral uit naar de schone slopen, die strak gestreken dienen te zijn (het dekbed mag wel wat kreukelen, vind ik). Dit keer ging Piet de klus boven klaren. Toen ik me bij hem voegde, was hij nog volop bezig. ‘Waar is dat andere bloemetjessloop?’, riep hij vertwijfeld. ‘Ik kan het nergens vinden!’ ‘Dat ben ik al een tijdje kwijt’, antwoordde ik lusteloos, ‘dan doe je er toch een wit sloop om?’ ‘Nou ja,’, vond Piet, ‘dat is toch geen gezicht!’ Maar ik kon de energie niet vinden om te gaan zoeken en dacht alleen aan het kussen waar ik mijn hoofd op te ruste wilde leggen. Piet was verbaasd, zelfs ontzet. Maar zag ook ergens een gaatje. ‘Snap je me nu?’ Ja Piet, ik begrijp je.

Working class girl

Ik ben moe. Hartstikke moe. Gisteren al om half tien naar bed gegaan. Komt ’t omdat dat werken in tempo ongewoon is voor mij, die haar eigen tempo altijd aanhoudt? Is het omdat alles ongewoon is: weer stage lopen na dertig jaar? Ik ben ineens een working class girl: ik doe ongeschoolde handarbeid. Voel me er beslist niet te min voor. Wel merk ik dat het iets anders vereist dan ik gewend ben: opperste concentratie op iets dat je zelf niet bepaalt. De boer bepaalt het tempo van de carrousel. En dat heb je maar bij te houden, of je nu handig bent of niet.

Gisteren telefoneerde ik met een vriendin uit Amsterdam. Ze komen ons opzoeken. En gaan eerst naar de tentoonstelling van Werkman in het Groninger Museum. Dat leek me ineens zo futiel, zo nutteloos! En dat interview over de oorlog dat ik met een oudere dorpeling zou kunnen doen? Geen fut voor.

Ik denk terug aan de jaren tachtig. Toen ik studeerde en helemaal enthousiast was over de maatschappijkritische denkers Max Horkheimer en Theodor Adorno. Zij schreven dat de mens alles om zich heen onderdrukt: de natuur en zichzelf. En ze halen het Homerus-epos aan om te laten zien hoe diep dat steekt in de westerse geschiedenis. De mens moet werken. Odysseus vaart langs de sirenen en laat zich vastbinden aan de mast. Zo voorkomt hij dat hij valt voor de verlokkingen van de Sirenen en zich in zee werpt. Vastgebonden aan de mast is de enige manier om van het gezang (kunst) te genieten. De arbeiders kunnen dat niet: hij heeft hun oren volgestopt met was opdat ze blijven roeien. Zo voel ik mij een beetje,als een roeier die de sirenen niet kan horen.

Het zal wel de ongewoonheid zijn. Net als toen ik vijftien was en mijn eerste baantje had, in de keuken van een bejaardentehuis – zo heette dat toen nog. Mijn moeder vertelt graag hoe ik met zwarte kringen onder mijn ogen thuiskwam. Later werd ik meesteres-afwasser, in mijn eigen beleving. En boerin Caroline vertelde me gisteren dat ze tot half twaalf een boek gelezen had.

Ik heb in een Ferrari gereden!

Nou, de tweede dag zit er op. Ik voel me best wel stoer. Want het vullen van de carrousel (met 9 vakjes) ging zoveel beter. Het lukte me zelfs af en toen zonder veel kleerscheuren een lege tray te vervangen door een volle met koolplantjes en niet al te veel missers te maken. Ook leuk om met mensen samen te werken. De ene stagiaire is een boerin van in de dertig die vleeskoeien houdt en vanochtend een kalfjestweeling ter wereld hielp. De andere stagiair is een jongen die van een boerderij komt waar ze vleeskippen houden, net als wij op onze boerderij. Zo hebben we het tijdens de pauze over dat soort dingen. Ik heb even bij boer Okke op de trekker gezeten. Een Lamborghini. Jazeker, Italiaans. In Noord-Italië zitten hele goede machinebouwers, vooral voor de groenteteelt, als ik het goed begrijp. En zo, dat was ik vergeten te vertellen, was de plantmachine waarop we de afgelopen dagen zaten een Ferrari! Pas vandaag – correctie – zaten de 124.000 plantjes erin, op 2,5 hectare. Boer Okke en boerin Caroline zijn erg tevreden: ze zitten er prachtig in. Binnenkort arriveert een andere soort wittekoolplantjes, die zich wat later ontwikkelt. En de volgende plantsessie zal waarschijnlijk uit knolselderij bestaan. Ik zit wat uit te puffen achter mijn pc. Een beetje verweesd, nu het tempo van doordouwen ineens is gestopt. Wanneer ik weer in actie kom, hangt van allerlei dingen af. Maar eerst ga ik nu zelf de wittekoolplantjes die ik heb meegekregen in mijn eigen moestuin planten. En dat gaat in een veel rustiger tempo, dat kan ik jullie verzekeren. maar ik houd wel de afstand aan: op 38 cm van elkaar, en een rijafstand van 50 cm. En dan in het najaar zelf zuurkool maken!

Witte kool planten

Ik weet het zeker: nooit eet ik zomaar meer witte kool. Ik denk dat ik zo’n witte kool even door mijn hand zal laten gaan en terugdenk aan een tentje achter een pootmachine. Vandaag zat ik met vier andere werkers in zo’n tentje om 124.000 koolplantjes te planten op 2,5 hectare. Het perceel was lang. Bij elke slag laadden we trays met Limburgse koolplantjes op. Vervolgens zaten we dicht opeen in dat tentje, op krukjes met onze knieën tegen elkaar: een andere stagiaire en ik, de boerin, een jonge hulp en een Poolse uitzendkracht. Vóór onze neuzen die trays. De boer trok ons over de akker – wij reden achteruit. Achter ons aan liep de derde stagiaire die de trays opschoof, zodat wij een konden pakken als er een leeg was – al is mij dat nauwelijks gelukt, omdat ik mijn carroussel voor me dan niet meer kon vullen. Die carroussel zit voor je knieën: ronddraaiende gaten die je vliegensvlug moet vullen met koolplantjes. Hij draait tegen de klok in. Precies op 12.00 uur gaat zo’n plantje de grond in. Als je niet snel genoeg bent met vullen, dan mis je een plantje in de grond. Bij mij gebeurde dat als ik aan het kletsen was. Vooral als er cijfers in het gesprek aan de orde kwamen was het mis. ‘Misser!’, roep je dan. En soms: ‘Dubbel!’ De jongen achter de tent graaft het dubbele plantje dan uit en vult een gemist plekje in de aarde met zo’n koolplantje.

Het ging allemaal wel. Maar gaandeweg de middag ging mijn rug zeer doen. Ik was blij toen we onze laatste rij hadden gemaakt. Verhit en verkrampt kwam ik thuis. ‘Man, wat heb ik gewerkt’, verzuchtte ik tegen Piet. ‘Dat doe ik nou elke dag!’, was zijn repliek.

Morgen gaan we door en misschien woensdag ook nog. Alleen beginnen we morgen om acht uur, dus dat wordt een veel langere dag dan vandaag. En ik weet nu dat de kolen wel tot september moeten groeien. En dan is het weer handwerk om ze er af te halen. Snijden, netjes in kratten leggen. Nee, witte kool is niet zomaar iets – er zit heel veel werk in.

Mijn eerste dag als biostagiaire

Gisteren, zondag, liep ik met Piet langs de Hunze te wandelen. Even er uit, na drukke beslommeringen. Mijn telefoon gaat. Het is mijn toekomstige stageboerin. Heel toekomstig, zo blijkt. ‘Ben je er klaar voor?’, vraagt ze. ‘We gaan morgen kolen planten, kom je?’

Ja, natuurlijk kom ik. Gelukkig starten we pas om 10.00 uur. Met koffie en de werkzaamheden doorspreken. Ik vraag haar: ‘Hoe lang gaan we door?’ Want ik heb maandagavond een vergadering in Groningen en ik moet nog koken, denk ik in stilte aan de lijn. ”s Avonds hoef je er niet te zijn’, zegt ze bemoedigend. Voor alle zekerheid Piet maar gevraagd te koken vanavond.

Zometeen vertrek ik. Boterhammen gesmeerd, thermoskannetje thee bij me, mijn palladiums aan, zonnebrandcrème in de tas. En dan maar zien. Ik hoop dat ik niet al te onhandig ben.